Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

DE: stressen
NL: stressen

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
gestrest

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik stres
jij strest
hij strest
wij stressen
jullie stressen
zij stressen

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
dat ik stres
dat jij strest
dat hij strest
dat wij stressen
dat jullie stressen
dat zij stressen

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gestrest
jij hebt gestrest
hij heeft gestrest
wij hebben gestrest
jullie hebben gestrest
zij hebben gestrest

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik streste
jij streste
hij streste
wij stresten
jullie stresten
zij stresten

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
dat ik streste
dat jij streste
dat hij streste
dat wij stresten
dat jullie stresten
dat zij stresten

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gestrest
jij had gestrest
hij had gestrest
wij hadden gestrest
jullie hadden gestrest
zij hadden gestrest

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal stressen
jij zult stressen
hij zal stressen
wij zullen stressen
jullie zullen stressen
zij zullen stressen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gestrest hebben
jij zult gestrest hebben
hij zal gestrest hebben
wij zullen gestrest hebben
jullie zullen gestrest hebben
zij zullen gestrest hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou stressen
jij zou stressen
hij zou stressen
wij zouden stressen
jullie zouden stressen
zij zouden stressen

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gestrest hebben
jij zou gestrest hebben
hij zou gestrest hebben
wij zouden gestrest hebben
jullie zouden gestrest hebben
zij zouden gestrest hebben

Gebiedende wijs
stres


Voorbeelden

  1. De westkust biedt u werkelijk de mogelijkheid om te ontsnappen van de alledaagse stress om oog in oog te komen staan met de natuur in al zijn glorie
  2. Volksmuziek, dans, kansspelen en feestkeuken laten de bezoekers de stress van alledag vergeten
  3. Vakantie in Steuerberg, is een echte vakantie zonder lawaai en stress
  4. Hier duik je in een andere wereld, zonder stress en verkeerslawaai
  5. Met iedere slag, verdwijnt de stress een beetje meer
  6. Dankzij MobileTicketing reist u zonder ticket en zonder kaart maar vooral zonder stress
  7. Het leven zit vol stress waardoor we steeds vaker vergeten te genieten van de kleine dingen in het leven
  8. Op deze manier levend stress ik minder
  9. stresshormoon
  10. stresskonijn
  11. Onze lichamen zijn niet geschikt om voor lange periodes stress te moeten verdragen.
  12. Teveel stress kan tot een handicap leiden.
  13. Tom heeft last van financiële stress.


DE: stressen    Vertaal    Voorbeelden    Synoniemen
Partizip Perfekt & Präsens
gestreßt
stressend

Indikativ Präsens
ich stresse
du streßt
er streßt
wir stressen
ihr streßt
sie; Sie stressen

Indikativ Perfekt
ich habe gestreßt
du hast gestreßt
er hat gestreßt
wir haben gestreßt
ihr habt gestreßt
sie; Sie haben gestreßt

Indikativ Präteritum
ich streßte
du streßtest
er streßte
wir streßten
ihr streßtet
sie; Sie streßten

Indikativ Plusquamperfekt
ich hatte gestreßt
du hattest gestreßt
er hatte gestreßt
wir hatten gestreßt
ihr hattet gestreßt
sie; Sie hatten gestreßt

Indikativ Futur I
ich werde stressen
du wirst stressen
er wird stressen
wir werden stressen
ihr werdet stressen
sie; Sie werden stressen

Indikativ Futur II
ich werde gestreßt haben
du wirst gestreßt haben
er wird gestreßt haben
wir werden gestreßt haben
ihr werdet gestreßt haben
sie; Sie werden gestreßt haben

Konjunktiv I Präsens
ich stresse
du stressest
er stresse
wir stressen
ihr stresset
sie; Sie stressen

Konjunktiv I Perfekt
ich habe gestreßt
du habest gestreßt
er habe gestreßt
wir haben gestreßt
ihr habet gestreßt
sie; Sie haben gestreßt

Konjunktiv II Präsens
ich streßte
du streßtest
er streßte
wir streßten
ihr streßtet
sie; Sie streßten

Konjunktiv II Perfekt
ich hätte gestreßt
du hättest gestreßt
er hätte gestreßt
wir hätten gestreßt
ihr hättet gestreßt
sie; Sie hätten gestreßt

Konjunktiv II Futur I
ich würde stressen
du würdest stressen
er würde stressen
wir würden stressen
ihr würdet stressen
sie; Sie würden stressen

Konjunktiv II Futur II
ich würde gestreßt haben
du würdest gestreßt haben
er würde gestreßt haben
wir würden gestreßt haben
ihr würdet gestreßt haben
sie; Sie würden gestreßt haben

der Imperativ
du stresse


Voorbeelden

  1. Zeigen Sie einfach Ihre Flying Blue-Karte vor und genießen Sie am Boden und an Bord eine Vielzahl von Services für eine stressfreie, angenehme Reise
    Op vertoon van uw Flying Blue-kaart heeft u toegang tot vele services die het comfort van uw reis, zowel in de lucht als op de grond, vergroten
  2. Dank MobileTicketing verreisen Sie ohne Ticket, ohne Karte und vor allem stressfrei
    Dankzij MobileTicketing reist u zonder ticket en zonder kaart maar vooral zonder stress
  3. DEANGELO: Auf dem Dach. Warum stresst ihr mich mit dem Hubschrauber?
    Op het dak. Waarom doen jullie zo moeilijk over m'n helikopter?

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden