NL: stremmenSynoniemen: blokkeren, hinderen, indikken
EN: stremmen (blokkeren): block, obstruct, jam
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestremd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik strem jij stremt hij stremt wij stremmen jullie stremmen zij stremmen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestremd jij hebt gestremd hij heeft gestremd wij hebben gestremd jullie hebben gestremd zij hebben gestremd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stremde jij stremde hij stremde wij stremden jullie stremden zij stremden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestremd jij had gestremd hij had gestremd wij hadden gestremd jullie hadden gestremd zij hadden gestremd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stremmen jij zult stremmen hij zal stremmen wij zullen stremmen jullie zullen stremmen zij zullen stremmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestremd hebben jij zult gestremd hebben hij zal gestremd hebben wij zullen gestremd hebben jullie zullen gestremd hebben zij zullen gestremd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stremmen jij zou stremmen hij zou stremmen wij zouden stremmen jullie zouden stremmen zij zouden stremmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestremd hebben jij zou gestremd hebben hij zou gestremd hebben wij zouden gestremd hebben jullie zouden gestremd hebben zij zouden gestremd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
strem
|