NL: straffenSynoniemen: straffen (in Stromlinienform bringen): stroomlijnen
EN: straffen (in Stromlinienform bringen): streamline
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestraft
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik straf jij straft hij straft wij straffen jullie straffen zij straffen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestraft jij hebt gestraft hij heeft gestraft wij hebben gestraft jullie hebben gestraft zij hebben gestraft
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik strafte jij strafte hij strafte wij straften jullie straften zij straften
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestraft jij had gestraft hij had gestraft wij hadden gestraft jullie hadden gestraft zij hadden gestraft
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal straffen jij zult straffen hij zal straffen wij zullen straffen jullie zullen straffen zij zullen straffen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestraft hebben jij zult gestraft hebben hij zal gestraft hebben wij zullen gestraft hebben jullie zullen gestraft hebben zij zullen gestraft hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou straffen jij zou straffen hij zou straffen wij zouden straffen jullie zouden straffen zij zouden straffen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestraft hebben jij zou gestraft hebben hij zou gestraft hebben wij zouden gestraft hebben jullie zouden gestraft hebben zij zouden gestraft hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
straf
|
DE: straffenNL: straffen (in Stromlinienform bringen): stroomlijnen
EN: straffen (in Stromlinienform bringen): streamline
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gestrafft straffend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich straffe du straffst er strafft wir straffen ihr strafft sie; Sie straffen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gestrafft du hast gestrafft er hat gestrafft wir haben gestrafft ihr habt gestrafft sie; Sie haben gestrafft
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich straffte du strafftest er straffte wir strafften ihr strafftet sie; Sie strafften
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gestrafft du hattest gestrafft er hatte gestrafft wir hatten gestrafft ihr hattet gestrafft sie; Sie hatten gestrafft
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde straffen du wirst straffen er wird straffen wir werden straffen ihr werdet straffen sie; Sie werden straffen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gestrafft haben du wirst gestrafft haben er wird gestrafft haben wir werden gestrafft haben ihr werdet gestrafft haben sie; Sie werden gestrafft haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich straffe du straffest er straffe wir straffen ihr straffet sie; Sie straffen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gestrafft du habest gestrafft er habe gestrafft wir haben gestrafft ihr habet gestrafft sie; Sie haben gestrafft
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich straffte du strafftest er straffte wir strafften ihr strafftet sie; Sie strafften
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gestrafft du hättest gestrafft er hätte gestrafft wir hätten gestrafft ihr hättet gestrafft sie; Sie hätten gestrafft
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde straffen du würdest straffen er würde straffen wir würden straffen ihr würdet straffen sie; Sie würden straffen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gestrafft haben du würdest gestrafft haben er würde gestrafft haben wir würden gestrafft haben ihr würdet gestrafft haben sie; Sie würden gestrafft haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du straffe
|