NL: stopzettenSynoniemen: beëindigen, ophouden, remmen, tegenhouden
DE: stoppen, anhalten, bremsen, aufhören
EN: stop, bring to a halt, stem, halt, put to a stop, bring to a standstill
FR: arrêter, cesser, bloquer, stopper
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
stopgezet
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zet stop jij zet stop hij zet stop wij zetten stop jullie zetten stop zij zetten stop
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb stopgezet jij hebt stopgezet hij heeft stopgezet wij hebben stopgezet jullie hebben stopgezet zij hebben stopgezet
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zette stop jij zette stop hij zette stop wij zetten stop jullie zetten stop zij zetten stop
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had stopgezet jij had stopgezet hij had stopgezet wij hadden stopgezet jullie hadden stopgezet zij hadden stopgezet
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stopzetten jij zult stopzetten hij zal stopzetten wij zullen stopzetten jullie zullen stopzetten zij zullen stopzetten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal stopgezet hebben jij zult stopgezet hebben hij zal stopgezet hebben wij zullen stopgezet hebben jullie zullen stopgezet hebben zij zullen stopgezet hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stopzetten jij zou stopzetten hij zou stopzetten wij zouden stopzetten jullie zouden stopzetten zij zouden stopzetten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou stopgezet hebben jij zou stopgezet hebben hij zou stopgezet hebben wij zouden stopgezet hebben jullie zouden stopgezet hebben zij zouden stopgezet hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zet stop
|