NL: stompenSynoniemen: boksen, rammen, duwen, stoten, hengsten, beenstompen, armstompen
DE: stoßen, puffen, knuffen
EN: punch, push, thump
FR: frapper, taper, cogner, gourmer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestompt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stomp jij stompt hij stompt wij stompen jullie stompen zij stompen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestompt jij hebt gestompt hij heeft gestompt wij hebben gestompt jullie hebben gestompt zij hebben gestompt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stompte jij stompte hij stompte wij stompten jullie stompten zij stompten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestompt jij had gestompt hij had gestompt wij hadden gestompt jullie hadden gestompt zij hadden gestompt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stompen jij zult stompen hij zal stompen wij zullen stompen jullie zullen stompen zij zullen stompen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestompt hebben jij zult gestompt hebben hij zal gestompt hebben wij zullen gestompt hebben jullie zullen gestompt hebben zij zullen gestompt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stompen jij zou stompen hij zou stompen wij zouden stompen jullie zouden stompen zij zouden stompen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestompt hebben jij zou gestompt hebben hij zou gestompt hebben wij zouden gestompt hebben jullie zouden gestompt hebben zij zouden gestompt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stomp
|