NL: stollenSynoniemen: coaguleren, , geconcentreerworden
DE: stollen (geconcentreerder worden): eindicken, verdicken, einkochen
EN: stollen (geconcentreerder worden): thicken, condense, concentrate
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestold
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stol jij stolt hij stolt wij stollen jullie stollen zij stollen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestold jij hebt gestold hij heeft gestold wij hebben gestold jullie hebben gestold zij hebben gestold
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stolde jij stolde hij stolde wij stolden jullie stolden zij stolden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestold jij had gestold hij had gestold wij hadden gestold jullie hadden gestold zij hadden gestold
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stollen jij zult stollen hij zal stollen wij zullen stollen jullie zullen stollen zij zullen stollen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestold hebben jij zult gestold hebben hij zal gestold hebben wij zullen gestold hebben jullie zullen gestold hebben zij zullen gestold hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stollen jij zou stollen hij zou stollen wij zouden stollen jullie zouden stollen zij zouden stollen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestold hebben jij zou gestold hebben hij zou gestold hebben wij zouden gestold hebben jullie zouden gestold hebben zij zouden gestold hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stol
|