NL: stokenSynoniemen: aanblazen, distilleren, opporren, opruien, poken, opstoken, oppoken, aanwakkeren, aanstoken, vuur, oven, kachel, brandstof
DE: stoken (aanblazen): brennen, anblasen, anschüren, schüren, anfeuern, anfachen
EN: stoken (aanblazen): blow the fire, fan a flame
ES: stoken (aanblazen): instigar, quemar, apresurar, incitar, enredar, avivar, atizar, azuzar, acuciar, amotinar
FR: stoken (aanblazen): aviver, agacer, inciter à, semer la discorde, énerver, encourager, exciter, activer, attiser, ranimer, ameuter, tisonner, exciter à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestookt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stook jij stookt hij stookt wij stoken jullie stoken zij stoken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestookt jij hebt gestookt hij heeft gestookt wij hebben gestookt jullie hebben gestookt zij hebben gestookt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stookte jij stookte hij stookte wij stookten jullie stookten zij stookten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestookt jij had gestookt hij had gestookt wij hadden gestookt jullie hadden gestookt zij hadden gestookt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stoken jij zult stoken hij zal stoken wij zullen stoken jullie zullen stoken zij zullen stoken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestookt hebben jij zult gestookt hebben hij zal gestookt hebben wij zullen gestookt hebben jullie zullen gestookt hebben zij zullen gestookt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stoken jij zou stoken hij zou stoken wij zouden stoken jullie zouden stoken zij zouden stoken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestookt hebben jij zou gestookt hebben hij zou gestookt hebben wij zouden gestookt hebben jullie zouden gestookt hebben zij zouden gestookt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stook
|