NL: stinkenDE: riechen, duften, nicht ausstehen können, anwidern, abgeneigt sein, anekeln, die Nase voll haben von, die Schnauze voll haben, eine Abneigung haben gegen, genug haben von, hassen, leid sein, satt haben, sich ekeln vor, verabscheuen, überdrüssig sein, Ha
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestonken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stink jij stinkt hij stinkt wij stinken jullie stinken zij stinken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestonken jij hebt gestonken hij heeft gestonken wij hebben gestonken jullie hebben gestonken zij hebben gestonken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stonk jij stonk hij stonk wij stonken jullie stonken zij stonken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestonken jij had gestonken hij had gestonken wij hadden gestonken jullie hadden gestonken zij hadden gestonken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stinken jij zult stinken hij zal stinken wij zullen stinken jullie zullen stinken zij zullen stinken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestonken hebben jij zult gestonken hebben hij zal gestonken hebben wij zullen gestonken hebben jullie zullen gestonken hebben zij zullen gestonken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stinken jij zou stinken hij zou stinken wij zouden stinken jullie zouden stinken zij zouden stinken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestonken hebben jij zou gestonken hebben hij zou gestonken hebben wij zouden gestonken hebben jullie zouden gestonken hebben zij zouden gestonken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stink
|
DE: stinkenSynoniemen: riechen, duften, nicht ausstehen können, anwidern, abgeneigt sein, anekeln, die Nase voll haben von, die Schnauze voll haben, eine Abneigung haben gegen, genug haben von, hassen, leid sein, satt haben, sich ekeln vor, verabscheuen, überdrüssig sein, Ha
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gestunken stinkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich stinke du stinkst er stinkt wir stinken ihr stinkt sie; Sie stinken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gestunken du hast gestunken er hat gestunken wir haben gestunken ihr habt gestunken sie; Sie haben gestunken
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich stank du stankst er stank wir stanken ihr stankt sie; Sie stanken
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gestunken du hattest gestunken er hatte gestunken wir hatten gestunken ihr hattet gestunken sie; Sie hatten gestunken
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde stinken du wirst stinken er wird stinken wir werden stinken ihr werdet stinken sie; Sie werden stinken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gestunken haben du wirst gestunken haben er wird gestunken haben wir werden gestunken haben ihr werdet gestunken haben sie; Sie werden gestunken haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich stinke du stinkest er stinke wir stinken ihr stinket sie; Sie stinken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gestunken du habest gestunken er habe gestunken wir haben gestunken ihr habet gestunken sie; Sie haben gestunken
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich stänke du stänkest er stänke wir stänken ihr stänket sie; Sie stänken
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gestunken du hättest gestunken er hätte gestunken wir hätten gestunken ihr hättet gestunken sie; Sie hätten gestunken
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde stinken du würdest stinken er würde stinken wir würden stinken ihr würdet stinken sie; Sie würden stinken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gestunken haben du würdest gestunken haben er würde gestunken haben wir würden gestunken haben ihr würdet gestunken haben sie; Sie würden gestunken haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du stinke; stink
|