NL: stillenSynoniemen: zogen, een baby zogen
DE: säugen, die Brust geben, löschen, erquicken, laben, säugen, die Brust geben, löschen, erquicken, laben
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestild
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stil jij stilt hij stilt wij stillen jullie stillen zij stillen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestild jij hebt gestild hij heeft gestild wij hebben gestild jullie hebben gestild zij hebben gestild
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stilde jij stilde hij stilde wij stilden jullie stilden zij stilden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestild jij had gestild hij had gestild wij hadden gestild jullie hadden gestild zij hadden gestild
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stillen jij zult stillen hij zal stillen wij zullen stillen jullie zullen stillen zij zullen stillen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestild hebben jij zult gestild hebben hij zal gestild hebben wij zullen gestild hebben jullie zullen gestild hebben zij zullen gestild hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stillen jij zou stillen hij zou stillen wij zouden stillen jullie zouden stillen zij zouden stillen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestild hebben jij zou gestild hebben hij zou gestild hebben wij zouden gestild hebben jullie zouden gestild hebben zij zouden gestild hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stil
|
DE: stillenSynoniemen: säugen, die Brust geben, löschen, erquicken, laben, säugen, die Brust geben, löschen, erquicken, laben
NL: zogen, een baby zogen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gestillt stillend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich stille du stillst er stillt wir stillen ihr stillt sie; Sie stillen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gestillt du hast gestillt er hat gestillt wir haben gestillt ihr habt gestillt sie; Sie haben gestillt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich stillte du stilltest er stillte wir stillten ihr stilltet sie; Sie stillten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gestillt du hattest gestillt er hatte gestillt wir hatten gestillt ihr hattet gestillt sie; Sie hatten gestillt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde stillen du wirst stillen er wird stillen wir werden stillen ihr werdet stillen sie; Sie werden stillen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gestillt haben du wirst gestillt haben er wird gestillt haben wir werden gestillt haben ihr werdet gestillt haben sie; Sie werden gestillt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich stille du stillest er stille wir stillen ihr stillet sie; Sie stillen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gestillt du habest gestillt er habe gestillt wir haben gestillt ihr habet gestillt sie; Sie haben gestillt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich stillte du stilltest er stillte wir stillten ihr stilltet sie; Sie stillten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gestillt du hättest gestillt er hätte gestillt wir hätten gestillt ihr hättet gestillt sie; Sie hätten gestillt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde stillen du würdest stillen er würde stillen wir würden stillen ihr würdet stillen sie; Sie würden stillen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gestillt haben du würdest gestillt haben er würde gestillt haben wir würden gestillt haben ihr würdet gestillt haben sie; Sie würden gestillt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du stille
|