NL: stemmen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stem jij stemt hij stemt wij stemmen jullie stemmen zij stemmen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestemd jij hebt gestemd hij heeft gestemd wij hebben gestemd jullie hebben gestemd zij hebben gestemd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stemde jij stemde hij stemde wij stemden jullie stemden zij stemden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestemd jij had gestemd hij had gestemd wij hadden gestemd jullie hadden gestemd zij hadden gestemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stemmen jij zult stemmen hij zal stemmen wij zullen stemmen jullie zullen stemmen zij zullen stemmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestemd hebben jij zult gestemd hebben hij zal gestemd hebben wij zullen gestemd hebben jullie zullen gestemd hebben zij zullen gestemd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stemmen jij zou stemmen hij zou stemmen wij zouden stemmen jullie zouden stemmen zij zouden stemmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestemd hebben jij zou gestemd hebben hij zou gestemd hebben wij zouden gestemd hebben jullie zouden gestemd hebben zij zouden gestemd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stem
|
DE: stemmen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gestemmt stemmend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich stemme du stemmst er stemmt wir stemmen ihr stemmt sie; Sie stemmen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gestemmt du hast gestemmt er hat gestemmt wir haben gestemmt ihr habt gestemmt sie; Sie haben gestemmt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich stemmte du stemmtest er stemmte wir stemmten ihr stemmtet sie; Sie stemmten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gestemmt du hattest gestemmt er hatte gestemmt wir hatten gestemmt ihr hattet gestemmt sie; Sie hatten gestemmt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde stemmen du wirst stemmen er wird stemmen wir werden stemmen ihr werdet stemmen sie; Sie werden stemmen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gestemmt haben du wirst gestemmt haben er wird gestemmt haben wir werden gestemmt haben ihr werdet gestemmt haben sie; Sie werden gestemmt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich stemme du stemmest er stemme wir stemmen ihr stemmet sie; Sie stemmen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gestemmt du habest gestemmt er habe gestemmt wir haben gestemmt ihr habet gestemmt sie; Sie haben gestemmt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich stemmte du stemmtest er stemmte wir stemmten ihr stemmtet sie; Sie stemmten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gestemmt du hättest gestemmt er hätte gestemmt wir hätten gestemmt ihr hättet gestemmt sie; Sie hätten gestemmt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde stemmen du würdest stemmen er würde stemmen wir würden stemmen ihr würdet stemmen sie; Sie würden stemmen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gestemmt haben du würdest gestemmt haben er würde gestemmt haben wir würden gestemmt haben ihr würdet gestemmt haben sie; Sie würden gestemmt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du stemme
|