NL: stelenSynoniemen: afnemen, gappen, inpikken, jatten, kapen, ontfutselen, ontnemen, ontvreemden, pikken, plunderen, roven, snaaien, verduisteren, vervreemden, wegnemen, pijlen, wegpikken, wegkapen, verdonkeremanen, achteroverdrukken, toeëigenen, wegfutselen, achterhouden,
DE: stehlen, klauen, rauben, verheimlichen, entwenden, zurückhalten, unterschlagen, verhehlen, veruntreuen, wegschnappen
EN: steal, snitch, nick, pinch
ES: robar, evitar, escapar, disimular, defraudar, mangar, disentir, huntar, desfalcar, divergir, mangar a, guardarse de
FR: voler, dérober, subtiliser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gestolen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik steel jij steelt hij steelt wij stelen jullie stelen zij stelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gestolen jij hebt gestolen hij heeft gestolen wij hebben gestolen jullie hebben gestolen zij hebben gestolen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stal jij stal hij stal wij stalen jullie stalen zij stalen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gestolen jij had gestolen hij had gestolen wij hadden gestolen jullie hadden gestolen zij hadden gestolen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal stelen jij zult stelen hij zal stelen wij zullen stelen jullie zullen stelen zij zullen stelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gestolen hebben jij zult gestolen hebben hij zal gestolen hebben wij zullen gestolen hebben jullie zullen gestolen hebben zij zullen gestolen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou stelen jij zou stelen hij zou stelen wij zouden stelen jullie zouden stelen zij zouden stelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gestolen hebben jij zou gestolen hebben hij zou gestolen hebben wij zouden gestolen hebben jullie zouden gestolen hebben zij zouden gestolen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
steel
|