|
|
| |
sprengen vervoegen
|
DE: sprengen
NL: sprengenSynoniemen: opblazen, laten exploderen
DE: in die Luft jagen, hochgehen lassen, zur Explosion bringen, aufbrechen, aufknacken, eintreten, knacken, sprühen, anfeuchten, befeuchten, begießen, benetzen, besprengen, bespritzen, besprühen, beträufeln, gießen, naß machen, nässen, spritzen, wässe U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
| | Voltooid deelwoord | | Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` | gesprengd
| | Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) | | Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. | ik spreng jij sprengt hij sprengt wij sprengen jullie sprengen zij sprengen
| | Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. | ik heb gesprengd jij hebt gesprengd hij heeft gesprengd wij hebben gesprengd jullie hebben gesprengd zij hebben gesprengd
| | Onvoltooid verleden tijd (ovt) | | Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. | ik sprengde jij sprengde hij sprengde wij sprengden jullie sprengden zij sprengden
| | Voltooid verleden tijd (vvt) | | wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. | ik had gesprengd jij had gesprengd hij had gesprengd wij hadden gesprengd jullie hadden gesprengd zij hadden gesprengd
| | Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) | | Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. | ik zal sprengen jij zult sprengen hij zal sprengen wij zullen sprengen jullie zullen sprengen zij zullen sprengen
| | Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. | ik zal gesprengd hebben jij zult gesprengd hebben hij zal gesprengd hebben wij zullen gesprengd hebben jullie zullen gesprengd hebben zij zullen gesprengd hebben
| | Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. | ik zou sprengen jij zou sprengen hij zou sprengen wij zouden sprengen jullie zouden sprengen zij zouden sprengen
| | Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. | ik zou gesprengd hebben jij zou gesprengd hebben hij zou gesprengd hebben wij zouden gesprengd hebben jullie zouden gesprengd hebben zij zouden gesprengd hebben
| | Gebiedende wijs | | bv. `Ga weg!` | spreng
|
DE: sprengenSynoniemen: in die Luft jagen, hochgehen lassen, zur Explosion bringen, aufbrechen, aufknacken, eintreten, knacken, sprühen, anfeuchten, befeuchten, begießen, benetzen, besprengen, bespritzen, besprühen, beträufeln, gießen, naß machen, nässen, spritzen, wässe
NL: opblazen, laten exploderen | Partizip Perfekt & Präsens | `Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) | gesprengt sprengend
| | Indikativ Präsens | | der Indikativ = aantonende wijs | ich sprenge du sprengst er sprengt wir sprengen ihr sprengt sie; Sie sprengen
| | Indikativ Perfekt | | der Indikativ = aantonende wijs | ich bin gesprengt du hast gesprengt er hat gesprengt wir haben gesprengt ihr habt gesprengt sie; Sie haben gesprengt
| | Indikativ Präteritum | | der Indikativ = aantonende wijs | ich sprengte du sprengtest er sprengte wir sprengten ihr sprengtet sie; Sie sprengten
| | Indikativ Plusquamperfekt | | der Indikativ = aantonende wijs | ich war gesprengt du hattest gesprengt er hatte gesprengt wir hatten gesprengt ihr hattet gesprengt sie; Sie hatten gesprengt
| | Indikativ Futur I | | der Indikativ = aantonende wijs | ich werde sprengen du wirst sprengen er wird sprengen wir werden sprengen ihr werdet sprengen sie; Sie werden sprengen
| | Indikativ Futur II | | der Indikativ = aantonende wijs | ich werde gesprengt sein du wirst gesprengt haben er wird gesprengt haben wir werden gesprengt haben ihr werdet gesprengt haben sie; Sie werden gesprengt haben
| | Konjunktiv I Präsens | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich sprenge du sprengest er sprenge wir sprengen ihr sprenget sie; Sie sprengen
| | Konjunktiv I Perfekt | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich habe gesprengt ; sei gesprengt du habest gesprengt er habe gesprengt wir haben gesprengt ihr habet gesprengt sie; Sie haben gesprengt
| | Konjunktiv II Präsens | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich sprengte du sprengtest er sprengte wir sprengten ihr sprengtet sie; Sie sprengten
| | Konjunktiv II Perfekt | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich hätte gesprengt du hättest gesprengt er hätte gesprengt wir hätten gesprengt ihr hättet gesprengt sie; Sie hätten gesprengt
| | Konjunktiv II Futur I | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich würde sprengen du würdest sprengen er würde sprengen wir würden sprengen ihr würdet sprengen sie; Sie würden sprengen
| | Konjunktiv II Futur II | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich würde gesprengt sein du würdest gesprengt haben er würde gesprengt haben wir würden gesprengt haben ihr würdet gesprengt haben sie; Sie würden gesprengt haben
| | der Imperativ | | der Imperativ = gebiedende wijs | du sprenge
|
Directe link naar deze pagina:http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/sprengenWerkwoorden A tot (en met) Z
Nederlandse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Duitse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Engelse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Franse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Spaanse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
|
Synoniemen
Vervoegen
Puzzelwoordenboek
Woorden.org
Encyclo.nl
|