NL: spreidenSynoniemen: decentraliseren, uitspreiden, ontvouwen
DE: ausbreiten, verteilen
EN: spread
ES: desplegar, extender, espaciar
FR: répandre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespreid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spreid jij spreidt hij spreidt wij spreiden jullie spreiden zij spreiden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespreid jij hebt gespreid hij heeft gespreid wij hebben gespreid jullie hebben gespreid zij hebben gespreid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spreidde jij spreidde hij spreidde wij spreidden jullie spreidden zij spreidden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespreid jij had gespreid hij had gespreid wij hadden gespreid jullie hadden gespreid zij hadden gespreid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spreiden jij zult spreiden hij zal spreiden wij zullen spreiden jullie zullen spreiden zij zullen spreiden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespreid hebben jij zult gespreid hebben hij zal gespreid hebben wij zullen gespreid hebben jullie zullen gespreid hebben zij zullen gespreid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spreiden jij zou spreiden hij zou spreiden wij zouden spreiden jullie zouden spreiden zij zouden spreiden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespreid hebben jij zou gespreid hebben hij zou gespreid hebben wij zouden gespreid hebben jullie zouden gespreid hebben zij zouden gespreid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spreid
|