NL: spinnenDE: faseln, quatschen, delirieren, dummes Zeug reden, irrereden, phantasieren, schwafeln, wirr reden, Unsinn reden
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesponnen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spin jij spint hij spint wij spinnen jullie spinnen zij spinnen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesponnen jij hebt gesponnen hij heeft gesponnen wij hebben gesponnen jullie hebben gesponnen zij hebben gesponnen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spon jij spon hij spon wij sponnen jullie sponnen zij sponnen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesponnen jij had gesponnen hij had gesponnen wij hadden gesponnen jullie hadden gesponnen zij hadden gesponnen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spinnen jij zult spinnen hij zal spinnen wij zullen spinnen jullie zullen spinnen zij zullen spinnen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesponnen hebben jij zult gesponnen hebben hij zal gesponnen hebben wij zullen gesponnen hebben jullie zullen gesponnen hebben zij zullen gesponnen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spinnen jij zou spinnen hij zou spinnen wij zouden spinnen jullie zouden spinnen zij zouden spinnen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesponnen hebben jij zou gesponnen hebben hij zou gesponnen hebben wij zouden gesponnen hebben jullie zouden gesponnen hebben zij zouden gesponnen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spin
|
DE: spinnenSynoniemen: faseln, quatschen, delirieren, dummes Zeug reden, irrereden, phantasieren, schwafeln, wirr reden, Unsinn reden
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gesponnen spinnend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich spinne du spinnst er spinnt wir spinnen ihr spinnt sie; Sie spinnen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gesponnen du hast gesponnen er hat gesponnen wir haben gesponnen ihr habt gesponnen sie; Sie haben gesponnen
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich spann du spannst er spann wir spannen ihr spannt sie; Sie spannen
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gesponnen du hattest gesponnen er hatte gesponnen wir hatten gesponnen ihr hattet gesponnen sie; Sie hatten gesponnen
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde spinnen du wirst spinnen er wird spinnen wir werden spinnen ihr werdet spinnen sie; Sie werden spinnen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gesponnen haben du wirst gesponnen haben er wird gesponnen haben wir werden gesponnen haben ihr werdet gesponnen haben sie; Sie werden gesponnen haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich spinne du spinnest er spinne wir spinnen ihr spinnet sie; Sie spinnen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gesponnen du habest gesponnen er habe gesponnen wir haben gesponnen ihr habet gesponnen sie; Sie haben gesponnen
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich spönne; spänne du spönnest; spännest er spönne; spänne wir spönnen; spännen ihr spönnet; spännet sie; Sie spönnen; spännen
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gesponnen du hättest gesponnen er hätte gesponnen wir hätten gesponnen ihr hättet gesponnen sie; Sie hätten gesponnen
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde spinnen du würdest spinnen er würde spinnen wir würden spinnen ihr würdet spinnen sie; Sie würden spinnen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gesponnen haben du würdest gesponnen haben er würde gesponnen haben wir würden gesponnen haben ihr würdet gesponnen haben sie; Sie würden gesponnen haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du spinne; spinn
|