NL: spijzenDE: speisen, essen
EN: nourish, peck, munch, nibble
ES: alimentar, dar comida a, dar de comer a
FR: repaître, sustenter, nourrir, donner à manger
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespijsd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spijs jij spijst hij spijst wij spijzen jullie spijzen zij spijzen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespijsd jij hebt gespijsd hij heeft gespijsd wij hebben gespijsd jullie hebben gespijsd zij hebben gespijsd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spijsde jij spijsde hij spijsde wij spijsden jullie spijsden zij spijsden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespijsd jij had gespijsd hij had gespijsd wij hadden gespijsd jullie hadden gespijsd zij hadden gespijsd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spijzen jij zult spijzen hij zal spijzen wij zullen spijzen jullie zullen spijzen zij zullen spijzen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespijsd hebben jij zult gespijsd hebben hij zal gespijsd hebben wij zullen gespijsd hebben jullie zullen gespijsd hebben zij zullen gespijsd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spijzen jij zou spijzen hij zou spijzen wij zouden spijzen jullie zouden spijzen zij zouden spijzen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespijsd hebben jij zou gespijsd hebben hij zou gespijsd hebben wij zouden gespijsd hebben jullie zouden gespijsd hebben zij zouden gespijsd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spijs
|