NL: spijkerenSynoniemen: hameren, klinken, timmeren, vastslaan, vastspijkeren, vastnagelen
DE: hämmern, nageln, tischlern, einhämmern, schlagen, annageln, festnageln, Nägel einschlagen
EN: spike, hammer, nail down, nail, drive in nails
ES: clavar
FR: clouer, river, riveter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespijkerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spijker jij spijkert hij spijkert wij spijkeren jullie spijkeren zij spijkeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespijkerd jij hebt gespijkerd hij heeft gespijkerd wij hebben gespijkerd jullie hebben gespijkerd zij hebben gespijkerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spijkerde jij spijkerde hij spijkerde wij spijkerden jullie spijkerden zij spijkerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespijkerd jij had gespijkerd hij had gespijkerd wij hadden gespijkerd jullie hadden gespijkerd zij hadden gespijkerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spijkeren jij zult spijkeren hij zal spijkeren wij zullen spijkeren jullie zullen spijkeren zij zullen spijkeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespijkerd hebben jij zult gespijkerd hebben hij zal gespijkerd hebben wij zullen gespijkerd hebben jullie zullen gespijkerd hebben zij zullen gespijkerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spijkeren jij zou spijkeren hij zou spijkeren wij zouden spijkeren jullie zouden spijkeren zij zouden spijkeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespijkerd hebben jij zou gespijkerd hebben hij zou gespijkerd hebben wij zouden gespijkerd hebben jullie zouden gespijkerd hebben zij zouden gespijkerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spijker
|