NL: spietsenDE: spietsen (aan de spies rijgen): harpunieren
ES: spietsen (aan de spies rijgen): espetar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespietst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spiets jij spietst hij spietst wij spietsen jullie spietsen zij spietsen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespietst jij hebt gespietst hij heeft gespietst wij hebben gespietst jullie hebben gespietst zij hebben gespietst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spietste jij spietste hij spietste wij spietsten jullie spietsten zij spietsten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespietst jij had gespietst hij had gespietst wij hadden gespietst jullie hadden gespietst zij hadden gespietst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spietsen jij zult spietsen hij zal spietsen wij zullen spietsen jullie zullen spietsen zij zullen spietsen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespietst hebben jij zult gespietst hebben hij zal gespietst hebben wij zullen gespietst hebben jullie zullen gespietst hebben zij zullen gespietst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spietsen jij zou spietsen hij zou spietsen wij zouden spietsen jullie zouden spietsen zij zouden spietsen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespietst hebben jij zou gespietst hebben hij zou gespietst hebben wij zouden gespietst hebben jullie zouden gespietst hebben zij zouden gespietst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spiets
|