NL: spiekenSynoniemen: afkijken, overschrijven, bedriegen, overkalken
DE: abschreiben
EN: crib
ES: terminar, ponerse en huelga, parar, abandonar, hacer huelga
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespiekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spiek jij spiekt hij spiekt wij spieken jullie spieken zij spieken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespiekt jij hebt gespiekt hij heeft gespiekt wij hebben gespiekt jullie hebben gespiekt zij hebben gespiekt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spiekte jij spiekte hij spiekte wij spiekten jullie spiekten zij spiekten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespiekt jij had gespiekt hij had gespiekt wij hadden gespiekt jullie hadden gespiekt zij hadden gespiekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spieken jij zult spieken hij zal spieken wij zullen spieken jullie zullen spieken zij zullen spieken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespiekt hebben jij zult gespiekt hebben hij zal gespiekt hebben wij zullen gespiekt hebben jullie zullen gespiekt hebben zij zullen gespiekt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spieken jij zou spieken hij zou spieken wij zouden spieken jullie zouden spieken zij zouden spieken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespiekt hebben jij zou gespiekt hebben hij zou gespiekt hebben wij zouden gespiekt hebben jullie zouden gespiekt hebben zij zouden gespiekt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spiek
|