NL: spenderenSynoniemen: besteden, uitgeven, zoekbrengen
DE: spendieren, ausgeben, aufwenden
EN: spend, pay
ES: gastar en, pagar
FR: dépenser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespendeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spendeer jij spendeert hij spendeert wij spenderen jullie spenderen zij spenderen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespendeerd jij hebt gespendeerd hij heeft gespendeerd wij hebben gespendeerd jullie hebben gespendeerd zij hebben gespendeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spendeerde jij spendeerde hij spendeerde wij spendeerden jullie spendeerden zij spendeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespendeerd jij had gespendeerd hij had gespendeerd wij hadden gespendeerd jullie hadden gespendeerd zij hadden gespendeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spenderen jij zult spenderen hij zal spenderen wij zullen spenderen jullie zullen spenderen zij zullen spenderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespendeerd hebben jij zult gespendeerd hebben hij zal gespendeerd hebben wij zullen gespendeerd hebben jullie zullen gespendeerd hebben zij zullen gespendeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spenderen jij zou spenderen hij zou spenderen wij zouden spenderen jullie zouden spenderen zij zouden spenderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespendeerd hebben jij zou gespendeerd hebben hij zou gespendeerd hebben wij zouden gespendeerd hebben jullie zouden gespendeerd hebben zij zouden gespendeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spendeer
|
NL: spenderenSynoniemen: besteden, uitgeven, zoekbrengen
DE: spendieren, ausgeben, aufwenden
EN: spend, pay
ES: gastar en, pagar
FR: dépenser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespendeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spendeer jij spendeert hij spendeert wij spenderen jullie spenderen zij spenderen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespendeerd jij hebt gespendeerd hij heeft gespendeerd wij hebben gespendeerd jullie hebben gespendeerd zij hebben gespendeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spendeerde jij spendeerde hij spendeerde wij spendeerden jullie spendeerden zij spendeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespendeerd jij had gespendeerd hij had gespendeerd wij hadden gespendeerd jullie hadden gespendeerd zij hadden gespendeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spenderen jij zult spenderen hij zal spenderen wij zullen spenderen jullie zullen spenderen zij zullen spenderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespendeerd hebben jij zult gespendeerd hebben hij zal gespendeerd hebben wij zullen gespendeerd hebben jullie zullen gespendeerd hebben zij zullen gespendeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spenderen jij zou spenderen hij zou spenderen wij zouden spenderen jullie zouden spenderen zij zouden spenderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespendeerd hebben jij zou gespendeerd hebben hij zou gespendeerd hebben wij zouden gespendeerd hebben jullie zouden gespendeerd hebben zij zouden gespendeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spendeer
|