DE: spenden| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gespendet spendend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich spende du spendest er spendet wir spenden ihr spendet sie; Sie spenden
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bin gespendet du hast gespendet er hat gespendet wir haben gespendet ihr habt gespendet sie; Sie haben gespendet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich spendete du spendetest er spendete wir spendeten ihr spendetet sie; Sie spendeten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich war gespendet du hattest gespendet er hatte gespendet wir hatten gespendet ihr hattet gespendet sie; Sie hatten gespendet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde spenden du wirst spenden er wird spenden wir werden spenden ihr werdet spenden sie; Sie werden spenden
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gespendet haben du wirst gespendet haben er wird gespendet haben wir werden gespendet haben ihr werdet gespendet haben sie; Sie werden gespendet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich spende du spendest er spende wir spenden ihr spendet sie; Sie spenden
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gespendet ; sei gespendet du habest gespendet er habe gespendet wir haben gespendet ihr habet gespendet sie; Sie haben gespendet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich spendete du spendetest er spendete wir spendeten ihr spendetet sie; Sie spendeten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gespendet du hättest gespendet er hätte gespendet wir hätten gespendet ihr hättet gespendet sie; Sie hätten gespendet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde spenden du würdest spenden er würde spenden wir würden spenden ihr würdet spenden sie; Sie würden spenden
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gespendet sein du würdest gespendet haben er würde gespendet haben wir würden gespendet haben ihr würdet gespendet haben sie; Sie würden gespendet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du spende
|
NL: spenden U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spend jij spendt hij spendt wij spenden jullie spenden zij spenden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespend jij hebt gespend hij heeft gespend wij hebben gespend jullie hebben gespend zij hebben gespend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spendde jij spendde hij spendde wij spendden jullie spendden zij spendden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespend jij had gespend hij had gespend wij hadden gespend jullie hadden gespend zij hadden gespend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spenden jij zult spenden hij zal spenden wij zullen spenden jullie zullen spenden zij zullen spenden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespend hebben jij zult gespend hebben hij zal gespend hebben wij zullen gespend hebben jullie zullen gespend hebben zij zullen gespend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spenden jij zou spenden hij zou spenden wij zouden spenden jullie zouden spenden zij zouden spenden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespend hebben jij zou gespend hebben hij zou gespend hebben wij zouden gespend hebben jullie zouden gespend hebben zij zouden gespend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spend
|