NL: spelenSynoniemen: acteren, bespelen, concerteren, doen alsof, dollen, friemelen, performen, plaatsvinden, ravotten, sollen, voorstellen, vertonen, presenteren, nazeggen, indienen, herhalen, doornemen, aanbieden, optreden, toneelspelen, voorwenden
DE: spelen (doen alsof): spielen, tun als ob, darstellen
EN: spelen (doen alsof): play, pretend, perform, act, dramatize, play-act
ES: spelen (doen alsof): actuar, hacer teatro, interpretar un papel teatral
FR: spelen (doen alsof): jouer, jouer la comédie, feindre, simuler, dramatiser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik speel jij speelt hij speelt wij spelen jullie spelen zij spelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespeeld jij hebt gespeeld hij heeft gespeeld wij hebben gespeeld jullie hebben gespeeld zij hebben gespeeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik speelde jij speelde hij speelde wij speelden jullie speelden zij speelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespeeld jij had gespeeld hij had gespeeld wij hadden gespeeld jullie hadden gespeeld zij hadden gespeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spelen jij zult spelen hij zal spelen wij zullen spelen jullie zullen spelen zij zullen spelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespeeld hebben jij zult gespeeld hebben hij zal gespeeld hebben wij zullen gespeeld hebben jullie zullen gespeeld hebben zij zullen gespeeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spelen jij zou spelen hij zou spelen wij zouden spelen jullie zouden spelen zij zouden spelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespeeld hebben jij zou gespeeld hebben hij zou gespeeld hebben wij zouden gespeeld hebben jullie zouden gespeeld hebben zij zouden gespeeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
speel
|