NL: speedsurfen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespeedsurft
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik speedsurf jij speedsurft hij speedsurft wij speedsurfen jullie speedsurfen zij speedsurfen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespeedsurft jij hebt gespeedsurft hij heeft gespeedsurft wij hebben gespeedsurft jullie hebben gespeedsurft zij hebben gespeedsurft
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik speedsurfte jij speedsurfte hij speedsurfte wij speedsurften jullie speedsurften zij speedsurften
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespeedsurft jij had gespeedsurft hij had gespeedsurft wij hadden gespeedsurft jullie hadden gespeedsurft zij hadden gespeedsurft
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal speedsurfen jij zult speedsurfen hij zal speedsurfen wij zullen speedsurfen jullie zullen speedsurfen zij zullen speedsurfen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespeedsurft hebben jij zult gespeedsurft hebben hij zal gespeedsurft hebben wij zullen gespeedsurft hebben jullie zullen gespeedsurft hebben zij zullen gespeedsurft hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou speedsurfen jij zou speedsurfen hij zou speedsurfen wij zouden speedsurfen jullie zouden speedsurfen zij zouden speedsurfen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespeedsurft hebben jij zou gespeedsurft hebben hij zou gespeedsurft hebben wij zouden gespeedsurft hebben jullie zouden gespeedsurft hebben zij zouden gespeedsurft hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
speedsurf
|