NL: sparenSynoniemen: opsparen
DE: ersparen, einsparen, beschneiden, kürzen, einsparen, ersparen, auf die hohe Kante legen, auf die Seite legen, hamstern, horten, zurücklegen, zusammensparen, reservieren, zurückhalten, aufbewahren, auf die hohe Kante legen, auf die Seite legen, bewahren
EN: save up
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespaard
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spaar jij spaart hij spaart wij sparen jullie sparen zij sparen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespaard jij hebt gespaard hij heeft gespaard wij hebben gespaard jullie hebben gespaard zij hebben gespaard
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spaarde jij spaarde hij spaarde wij spaarden jullie spaarden zij spaarden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespaard jij had gespaard hij had gespaard wij hadden gespaard jullie hadden gespaard zij hadden gespaard
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sparen jij zult sparen hij zal sparen wij zullen sparen jullie zullen sparen zij zullen sparen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespaard hebben jij zult gespaard hebben hij zal gespaard hebben wij zullen gespaard hebben jullie zullen gespaard hebben zij zullen gespaard hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sparen jij zou sparen hij zou sparen wij zouden sparen jullie zouden sparen zij zouden sparen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespaard hebben jij zou gespaard hebben hij zou gespaard hebben wij zouden gespaard hebben jullie zouden gespaard hebben zij zouden gespaard hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spaar
|
DE: sparenSynoniemen: ersparen, einsparen, beschneiden, kürzen, einsparen, ersparen, auf die hohe Kante legen, auf die Seite legen, hamstern, horten, zurücklegen, zusammensparen, reservieren, zurückhalten, aufbewahren, auf die hohe Kante legen, auf die Seite legen, bewahren
NL: opsparen
EN: save up
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gespart sparend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich spare du sparst er spart wir sparen ihr spart sie; Sie sparen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gespart du hast gespart er hat gespart wir haben gespart ihr habt gespart sie; Sie haben gespart
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich sparte du spartest er sparte wir sparten ihr spartet sie; Sie sparten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gespart du hattest gespart er hatte gespart wir hatten gespart ihr hattet gespart sie; Sie hatten gespart
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde sparen du wirst sparen er wird sparen wir werden sparen ihr werdet sparen sie; Sie werden sparen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gespart haben du wirst gespart haben er wird gespart haben wir werden gespart haben ihr werdet gespart haben sie; Sie werden gespart haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich spare du sparest er spare wir sparen ihr sparet sie; Sie sparen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gespart du habest gespart er habe gespart wir haben gespart ihr habet gespart sie; Sie haben gespart
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sparte du spartest er sparte wir sparten ihr spartet sie; Sie sparten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gespart du hättest gespart er hätte gespart wir hätten gespart ihr hättet gespart sie; Sie hätten gespart
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde sparen du würdest sparen er würde sparen wir würden sparen ihr würdet sparen sie; Sie würden sparen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gespart haben du würdest gespart haben er würde gespart haben wir würden gespart haben ihr würdet gespart haben sie; Sie würden gespart haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du spare
|