NL: spannenSynoniemen: spannen (verklammern): met een kram vastmaken, krammen
DE: anspannen, anziehen, aufspannen, aufziehen, straff spannen, stramm ziehen, ziehen, zuziehen, schmachten, lechzen, ausschauen nach, begehren, fiebern, herbeisehnen, sich ersehnen, sich sehnen, sich spitzen auf, verlangen, Ausschau halten
EN: spannen (verklammern): clamp
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gespannen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik span jij spant hij spant wij spannen jullie spannen zij spannen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gespannen jij hebt gespannen hij heeft gespannen wij hebben gespannen jullie hebben gespannen zij hebben gespannen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spande jij spande hij spande wij spanden jullie spanden zij spanden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gespannen jij had gespannen hij had gespannen wij hadden gespannen jullie hadden gespannen zij hadden gespannen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal spannen jij zult spannen hij zal spannen wij zullen spannen jullie zullen spannen zij zullen spannen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gespannen hebben jij zult gespannen hebben hij zal gespannen hebben wij zullen gespannen hebben jullie zullen gespannen hebben zij zullen gespannen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou spannen jij zou spannen hij zou spannen wij zouden spannen jullie zouden spannen zij zouden spannen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gespannen hebben jij zou gespannen hebben hij zou gespannen hebben wij zouden gespannen hebben jullie zouden gespannen hebben zij zouden gespannen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
span
|
DE: spannenSynoniemen: anspannen, anziehen, aufspannen, aufziehen, straff spannen, stramm ziehen, ziehen, zuziehen, schmachten, lechzen, ausschauen nach, begehren, fiebern, herbeisehnen, sich ersehnen, sich sehnen, sich spitzen auf, verlangen, Ausschau halten
NL: spannen (verklammern): met een kram vastmaken, krammen
EN: spannen (verklammern): clamp
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gespannt spannend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich spanne du spannst er spannt wir spannen ihr spannt sie; Sie spannen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gespannt du hast gespannt er hat gespannt wir haben gespannt ihr habt gespannt sie; Sie haben gespannt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich spannte du spanntest er spannte wir spannten ihr spanntet sie; Sie spannten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gespannt du hattest gespannt er hatte gespannt wir hatten gespannt ihr hattet gespannt sie; Sie hatten gespannt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde spannen du wirst spannen er wird spannen wir werden spannen ihr werdet spannen sie; Sie werden spannen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gespannt haben du wirst gespannt haben er wird gespannt haben wir werden gespannt haben ihr werdet gespannt haben sie; Sie werden gespannt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich spanne du spannest er spanne wir spannen ihr spannet sie; Sie spannen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gespannt du habest gespannt er habe gespannt wir haben gespannt ihr habet gespannt sie; Sie haben gespannt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich spannte du spanntest er spannte wir spannten ihr spanntet sie; Sie spannten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gespannt du hättest gespannt er hätte gespannt wir hätten gespannt ihr hättet gespannt sie; Sie hätten gespannt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde spannen du würdest spannen er würde spannen wir würden spannen ihr würdet spannen sie; Sie würden spannen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gespannt haben du würdest gespannt haben er würde gespannt haben wir würden gespannt haben ihr würdet gespannt haben sie; Sie würden gespannt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du spanne
|