NL: souperenEN: sup, eat, dine
ES: cenar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesoupeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik soupeer jij soupeert hij soupeert wij souperen jullie souperen zij souperen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesoupeerd jij hebt gesoupeerd hij heeft gesoupeerd wij hebben gesoupeerd jullie hebben gesoupeerd zij hebben gesoupeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik soupeerde jij soupeerde hij soupeerde wij soupeerden jullie soupeerden zij soupeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesoupeerd jij had gesoupeerd hij had gesoupeerd wij hadden gesoupeerd jullie hadden gesoupeerd zij hadden gesoupeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal souperen jij zult souperen hij zal souperen wij zullen souperen jullie zullen souperen zij zullen souperen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesoupeerd hebben jij zult gesoupeerd hebben hij zal gesoupeerd hebben wij zullen gesoupeerd hebben jullie zullen gesoupeerd hebben zij zullen gesoupeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou souperen jij zou souperen hij zou souperen wij zouden souperen jullie zouden souperen zij zouden souperen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesoupeerd hebben jij zou gesoupeerd hebben hij zou gesoupeerd hebben wij zouden gesoupeerd hebben jullie zouden gesoupeerd hebben zij zouden gesoupeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
soupeer
|