NL: sollenSynoniemen: sollen (im Stande sein): kunnen, in staat zijn, vermogen
DE: müssen, gezwungen, sein, werden
EN: sollen (im Stande sein): be able
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesold
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sol jij solt hij solt wij sollen jullie sollen zij sollen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesold jij hebt gesold hij heeft gesold wij hebben gesold jullie hebben gesold zij hebben gesold
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik solde jij solde hij solde wij solden jullie solden zij solden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesold jij had gesold hij had gesold wij hadden gesold jullie hadden gesold zij hadden gesold
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sollen jij zult sollen hij zal sollen wij zullen sollen jullie zullen sollen zij zullen sollen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesold hebben jij zult gesold hebben hij zal gesold hebben wij zullen gesold hebben jullie zullen gesold hebben zij zullen gesold hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sollen jij zou sollen hij zou sollen wij zouden sollen jullie zouden sollen zij zouden sollen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesold hebben jij zou gesold hebben hij zou gesold hebben wij zouden gesold hebben jullie zouden gesold hebben zij zouden gesold hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sol
|
DE: sollenSynoniemen: müssen, gezwungen, sein, werden
NL: sollen (im Stande sein): kunnen, in staat zijn, vermogen
EN: sollen (im Stande sein): be able
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gesollt sollend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich soll du sollst er soll wir sollen ihr sollt sie; Sie sollen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gesollt du hast gesollt er hat gesollt wir haben gesollt ihr habt gesollt sie; Sie haben gesollt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich sollte du solltest er sollte wir sollten ihr solltet sie; Sie sollten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gesollt du hattest gesollt er hatte gesollt wir hatten gesollt ihr hattet gesollt sie; Sie hatten gesollt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde sollen du wirst sollen er wird sollen wir werden sollen ihr werdet sollen sie; Sie werden sollen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gesollt haben du wirst gesollt haben er wird gesollt haben wir werden gesollt haben ihr werdet gesollt haben sie; Sie werden gesollt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich solle du sollest er solle wir sollen ihr sollet sie; Sie sollen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gesollt du habest gesollt er habe gesollt wir haben gesollt ihr habet gesollt sie; Sie haben gesollt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sollte du solltest er sollte wir sollten ihr solltet sie; Sie sollten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gesollt du hättest gesollt er hätte gesollt wir hätten gesollt ihr hättet gesollt sie; Sie hätten gesollt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde sollen du würdest sollen er würde sollen wir würden sollen ihr würdet sollen sie; Sie würden sollen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gesollt haben du würdest gesollt haben er würde gesollt haben wir würden gesollt haben ihr würdet gesollt haben sie; Sie würden gesollt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du solle
|