NL: snuffelenSynoniemen: graaien, neuzen, rechercheren, rondwroeten, ruiken, speuren, grabbelen, snuiven
DE: herumschnüffeln, spionieren
EN: nose, ferret, browse, smell, pry
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesnuffeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik snuffel jij snuffelt hij snuffelt wij snuffelen jullie snuffelen zij snuffelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesnuffeld jij hebt gesnuffeld hij heeft gesnuffeld wij hebben gesnuffeld jullie hebben gesnuffeld zij hebben gesnuffeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik snuffelde jij snuffelde hij snuffelde wij snuffelden jullie snuffelden zij snuffelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesnuffeld jij had gesnuffeld hij had gesnuffeld wij hadden gesnuffeld jullie hadden gesnuffeld zij hadden gesnuffeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal snuffelen jij zult snuffelen hij zal snuffelen wij zullen snuffelen jullie zullen snuffelen zij zullen snuffelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesnuffeld hebben jij zult gesnuffeld hebben hij zal gesnuffeld hebben wij zullen gesnuffeld hebben jullie zullen gesnuffeld hebben zij zullen gesnuffeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou snuffelen jij zou snuffelen hij zou snuffelen wij zouden snuffelen jullie zouden snuffelen zij zouden snuffelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesnuffeld hebben jij zou gesnuffeld hebben hij zou gesnuffeld hebben wij zouden gesnuffeld hebben jullie zouden gesnuffeld hebben zij zouden gesnuffeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
snuffel
|