NL: snotterenSynoniemen: grienen, sniffen, trompetten, snikken, janken, huilen
DE: heulen, rotzen, flennen
EN: snivel
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesnotterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik snotter jij snottert hij snottert wij snotteren jullie snotteren zij snotteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesnotterd jij hebt gesnotterd hij heeft gesnotterd wij hebben gesnotterd jullie hebben gesnotterd zij hebben gesnotterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik snotterde jij snotterde hij snotterde wij snotterden jullie snotterden zij snotterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesnotterd jij had gesnotterd hij had gesnotterd wij hadden gesnotterd jullie hadden gesnotterd zij hadden gesnotterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal snotteren jij zult snotteren hij zal snotteren wij zullen snotteren jullie zullen snotteren zij zullen snotteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesnotterd hebben jij zult gesnotterd hebben hij zal gesnotterd hebben wij zullen gesnotterd hebben jullie zullen gesnotterd hebben zij zullen gesnotterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou snotteren jij zou snotteren hij zou snotteren wij zouden snotteren jullie zouden snotteren zij zouden snotteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesnotterd hebben jij zou gesnotterd hebben hij zou gesnotterd hebben wij zouden gesnotterd hebben jullie zouden gesnotterd hebben zij zouden gesnotterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
snotter
|