NL: snorrenSynoniemen: brommen, ronken, snorbaarden, knevels, zoeken, uitzien, uitkijken, opzoeken, smakken, slingeren, kletteren, zagen, knorren
DE: der Schnurrbärte, der Schnauzbärte
EN: the whiskers, the moustaches
ES: el bigotes, el mostachos
FR: la moustaches, la barbes
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesnord
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik snor jij snort hij snort wij snorren jullie snorren zij snorren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesnord jij hebt gesnord hij heeft gesnord wij hebben gesnord jullie hebben gesnord zij hebben gesnord
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik snorde jij snorde hij snorde wij snorden jullie snorden zij snorden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesnord jij had gesnord hij had gesnord wij hadden gesnord jullie hadden gesnord zij hadden gesnord
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal snorren jij zult snorren hij zal snorren wij zullen snorren jullie zullen snorren zij zullen snorren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesnord hebben jij zult gesnord hebben hij zal gesnord hebben wij zullen gesnord hebben jullie zullen gesnord hebben zij zullen gesnord hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou snorren jij zou snorren hij zou snorren wij zouden snorren jullie zouden snorren zij zouden snorren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesnord hebben jij zou gesnord hebben hij zou gesnord hebben wij zouden gesnord hebben jullie zouden gesnord hebben zij zouden gesnord hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
snor
|