NL: sneuvelenSynoniemen: kapotgaan, omkomen, breken, wegvallen, vallen, sterven, overlijden, inslapen, heengaan, doodgaan, bezwijken
DE: sneuvelen (breken): brechen, zerbrechen, entzwei reißen, entzwei gehen
EN: sneuvelen (breken): perish, become defective, die
ES: sneuvelen (breken): caer, morir, romper, quebrar, doblar, fracturar, extinguirse, refractar
FR: sneuvelen (breken): se casser, se briser, se détraquer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesneuveld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sneuvel jij sneuvelt hij sneuvelt wij sneuvelen jullie sneuvelen zij sneuvelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesneuveld jij hebt gesneuveld hij heeft gesneuveld wij hebben gesneuveld jullie hebben gesneuveld zij hebben gesneuveld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sneuvelde jij sneuvelde hij sneuvelde wij sneuvelden jullie sneuvelden zij sneuvelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesneuveld jij had gesneuveld hij had gesneuveld wij hadden gesneuveld jullie hadden gesneuveld zij hadden gesneuveld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sneuvelen jij zult sneuvelen hij zal sneuvelen wij zullen sneuvelen jullie zullen sneuvelen zij zullen sneuvelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesneuveld hebben jij zult gesneuveld hebben hij zal gesneuveld hebben wij zullen gesneuveld hebben jullie zullen gesneuveld hebben zij zullen gesneuveld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sneuvelen jij zou sneuvelen hij zou sneuvelen wij zouden sneuvelen jullie zouden sneuvelen zij zouden sneuvelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesneuveld hebben jij zou gesneuveld hebben hij zou gesneuveld hebben wij zouden gesneuveld hebben jullie zouden gesneuveld hebben zij zouden gesneuveld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sneuvel
|