Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

sneuvelen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





NL: sneuvelen
Synoniemen: kapotgaan, omkomen, breken, wegvallen, vallen, sterven, overlijden, inslapen, heengaan, doodgaan, bezwijken

DE: sneuvelen (breken): brechen, zerbrechen, entzwei reißen, entzwei gehen
EN: sneuvelen (breken): perish, become defective, die
ES: sneuvelen (breken): caer, morir, romper, quebrar, doblar, fracturar, extinguirse, refractar
FR: sneuvelen (breken): se casser, se briser, se détraquer

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gesneuveld
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik sneuvel
jij sneuvelt
hij sneuvelt
wij sneuvelen
jullie sneuvelen
zij sneuvelen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gesneuveld
jij hebt gesneuveld
hij heeft gesneuveld
wij hebben gesneuveld
jullie hebben gesneuveld
zij hebben gesneuveld
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik sneuvelde
jij sneuvelde
hij sneuvelde
wij sneuvelden
jullie sneuvelden
zij sneuvelden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gesneuveld
jij had gesneuveld
hij had gesneuveld
wij hadden gesneuveld
jullie hadden gesneuveld
zij hadden gesneuveld
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal sneuvelen
jij zult sneuvelen
hij zal sneuvelen
wij zullen sneuvelen
jullie zullen sneuvelen
zij zullen sneuvelen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gesneuveld hebben
jij zult gesneuveld hebben
hij zal gesneuveld hebben
wij zullen gesneuveld hebben
jullie zullen gesneuveld hebben
zij zullen gesneuveld hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou sneuvelen
jij zou sneuvelen
hij zou sneuvelen
wij zouden sneuvelen
jullie zouden sneuvelen
zij zouden sneuvelen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gesneuveld hebben
jij zou gesneuveld hebben
hij zou gesneuveld hebben
wij zouden gesneuveld hebben
jullie zouden gesneuveld hebben
zij zouden gesneuveld hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
sneuvel

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/sneuvelen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English