NL: snerpenSynoniemen: bijten, sissen
DE: schneiden
EN: bite, cut
ES: morder
FR: fouetter, cingler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesnerpt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik snerp jij snerpt hij snerpt wij snerpen jullie snerpen zij snerpen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesnerpt jij hebt gesnerpt hij heeft gesnerpt wij hebben gesnerpt jullie hebben gesnerpt zij hebben gesnerpt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik snerpte jij snerpte hij snerpte wij snerpten jullie snerpten zij snerpten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesnerpt jij had gesnerpt hij had gesnerpt wij hadden gesnerpt jullie hadden gesnerpt zij hadden gesnerpt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal snerpen jij zult snerpen hij zal snerpen wij zullen snerpen jullie zullen snerpen zij zullen snerpen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesnerpt hebben jij zult gesnerpt hebben hij zal gesnerpt hebben wij zullen gesnerpt hebben jullie zullen gesnerpt hebben zij zullen gesnerpt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou snerpen jij zou snerpen hij zou snerpen wij zouden snerpen jullie zouden snerpen zij zouden snerpen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesnerpt hebben jij zou gesnerpt hebben hij zou gesnerpt hebben wij zouden gesnerpt hebben jullie zouden gesnerpt hebben zij zouden gesnerpt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
snerp
|