NL: snellenSynoniemen: ijlen, spoeden, hardlopen, vliegen, opschieten, jakkeren, jagen, jachten, rennen, hollen, reppen
DE: eilen, laufen, rennen, jagen, hasten
EN: rush, hurry, haste, speed up, hasten
ES: correr, apresurarse, darse prisa
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesneld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik snel jij snelt hij snelt wij snellen jullie snellen zij snellen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesneld jij hebt gesneld hij heeft gesneld wij hebben gesneld jullie hebben gesneld zij hebben gesneld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik snelde jij snelde hij snelde wij snelden jullie snelden zij snelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesneld jij had gesneld hij had gesneld wij hadden gesneld jullie hadden gesneld zij hadden gesneld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal snellen jij zult snellen hij zal snellen wij zullen snellen jullie zullen snellen zij zullen snellen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesneld hebben jij zult gesneld hebben hij zal gesneld hebben wij zullen gesneld hebben jullie zullen gesneld hebben zij zullen gesneld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou snellen jij zou snellen hij zou snellen wij zouden snellen jullie zouden snellen zij zouden snellen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesneld hebben jij zou gesneld hebben hij zou gesneld hebben wij zouden gesneld hebben jullie zouden gesneld hebben zij zouden gesneld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
snel
|