NL: sneeuwsurfen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesneeuwsurft
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sneeuwsurf jij sneeuwsurft hij sneeuwsurft wij sneeuwsurfen jullie sneeuwsurfen zij sneeuwsurfen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesneeuwsurft jij hebt gesneeuwsurft hij heeft gesneeuwsurft wij hebben gesneeuwsurft jullie hebben gesneeuwsurft zij hebben gesneeuwsurft
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sneeuwsurfte jij sneeuwsurfte hij sneeuwsurfte wij sneeuwsurften jullie sneeuwsurften zij sneeuwsurften
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesneeuwsurft jij had gesneeuwsurft hij had gesneeuwsurft wij hadden gesneeuwsurft jullie hadden gesneeuwsurft zij hadden gesneeuwsurft
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sneeuwsurfen jij zult sneeuwsurfen hij zal sneeuwsurfen wij zullen sneeuwsurfen jullie zullen sneeuwsurfen zij zullen sneeuwsurfen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesneeuwsurft hebben jij zult gesneeuwsurft hebben hij zal gesneeuwsurft hebben wij zullen gesneeuwsurft hebben jullie zullen gesneeuwsurft hebben zij zullen gesneeuwsurft hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sneeuwsurfen jij zou sneeuwsurfen hij zou sneeuwsurfen wij zouden sneeuwsurfen jullie zouden sneeuwsurfen zij zouden sneeuwsurfen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesneeuwsurft hebben jij zou gesneeuwsurft hebben hij zou gesneeuwsurft hebben wij zouden gesneeuwsurft hebben jullie zouden gesneeuwsurft hebben zij zouden gesneeuwsurft hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sneeuwsurf
|