NL: sneeuwenSynoniemen: sneeuw
DE: schneien
EN: snow
ES: nevar
FR: neiger
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesneeuwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sneeuw jij sneeuwt hij sneeuwt wij sneeuwen jullie sneeuwen zij sneeuwen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesneeuwd jij hebt gesneeuwd hij heeft gesneeuwd wij hebben gesneeuwd jullie hebben gesneeuwd zij hebben gesneeuwd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sneeuwde jij sneeuwde hij sneeuwde wij sneeuwden jullie sneeuwden zij sneeuwden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesneeuwd jij had gesneeuwd hij had gesneeuwd wij hadden gesneeuwd jullie hadden gesneeuwd zij hadden gesneeuwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sneeuwen jij zult sneeuwen hij zal sneeuwen wij zullen sneeuwen jullie zullen sneeuwen zij zullen sneeuwen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesneeuwd hebben jij zult gesneeuwd hebben hij zal gesneeuwd hebben wij zullen gesneeuwd hebben jullie zullen gesneeuwd hebben zij zullen gesneeuwd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sneeuwen jij zou sneeuwen hij zou sneeuwen wij zouden sneeuwen jullie zouden sneeuwen zij zouden sneeuwen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesneeuwd hebben jij zou gesneeuwd hebben hij zou gesneeuwd hebben wij zouden gesneeuwd hebben jullie zouden gesneeuwd hebben zij zouden gesneeuwd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sneeuw
|