NL: snauwenSynoniemen: afbekken, bitsen, toesnauwen, afsnauwen, afblaffen, toebijten, grauwen
EN: snarl, growl
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesnauwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik snauw jij snauwt hij snauwt wij snauwen jullie snauwen zij snauwen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesnauwd jij hebt gesnauwd hij heeft gesnauwd wij hebben gesnauwd jullie hebben gesnauwd zij hebben gesnauwd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik snauwde jij snauwde hij snauwde wij snauwden jullie snauwden zij snauwden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesnauwd jij had gesnauwd hij had gesnauwd wij hadden gesnauwd jullie hadden gesnauwd zij hadden gesnauwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal snauwen jij zult snauwen hij zal snauwen wij zullen snauwen jullie zullen snauwen zij zullen snauwen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesnauwd hebben jij zult gesnauwd hebben hij zal gesnauwd hebben wij zullen gesnauwd hebben jullie zullen gesnauwd hebben zij zullen gesnauwd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou snauwen jij zou snauwen hij zou snauwen wij zouden snauwen jullie zouden snauwen zij zouden snauwen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesnauwd hebben jij zou gesnauwd hebben hij zou gesnauwd hebben wij zouden gesnauwd hebben jullie zouden gesnauwd hebben zij zouden gesnauwd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
snauw
|