NL: snaterenSynoniemen: babbelen, gakken, kwetteren, kwaken, kakelen, kwekken, zwammen, wauwelen, spreken, praten, kwebbelen, kletsen, klappen
DE: snateren (kwaken): quaken
EN: snateren (kwaken): quack, croak
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesnaterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik snater jij snatert hij snatert wij snateren jullie snateren zij snateren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesnaterd jij hebt gesnaterd hij heeft gesnaterd wij hebben gesnaterd jullie hebben gesnaterd zij hebben gesnaterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik snaterde jij snaterde hij snaterde wij snaterden jullie snaterden zij snaterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesnaterd jij had gesnaterd hij had gesnaterd wij hadden gesnaterd jullie hadden gesnaterd zij hadden gesnaterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal snateren jij zult snateren hij zal snateren wij zullen snateren jullie zullen snateren zij zullen snateren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesnaterd hebben jij zult gesnaterd hebben hij zal gesnaterd hebben wij zullen gesnaterd hebben jullie zullen gesnaterd hebben zij zullen gesnaterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou snateren jij zou snateren hij zou snateren wij zouden snateren jullie zouden snateren zij zouden snateren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesnaterd hebben jij zou gesnaterd hebben hij zou gesnaterd hebben wij zouden gesnaterd hebben jullie zouden gesnaterd hebben zij zouden gesnaterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
snater
|