NL: smorenSynoniemen: braiseren, doodlopen, doven, onderdrukken, stikken, uitdoven, uitblussen, sudderen, stoffen, pruttelen
DE: smoren (doven): erlöschen, löschen, ausmachen, ausschalten, ersticken, schmoren, auslöschen, ablöschen
EN: smoren (doven): extinguish, put out
ES: smoren (doven): extinguir, apagar, ahogar, apagarse, extinguirse
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesmoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik smoor jij smoort hij smoort wij smoren jullie smoren zij smoren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesmoord jij hebt gesmoord hij heeft gesmoord wij hebben gesmoord jullie hebben gesmoord zij hebben gesmoord
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik smoorde jij smoorde hij smoorde wij smoorden jullie smoorden zij smoorden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesmoord jij had gesmoord hij had gesmoord wij hadden gesmoord jullie hadden gesmoord zij hadden gesmoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal smoren jij zult smoren hij zal smoren wij zullen smoren jullie zullen smoren zij zullen smoren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesmoord hebben jij zult gesmoord hebben hij zal gesmoord hebben wij zullen gesmoord hebben jullie zullen gesmoord hebben zij zullen gesmoord hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou smoren jij zou smoren hij zou smoren wij zouden smoren jullie zouden smoren zij zouden smoren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesmoord hebben jij zou gesmoord hebben hij zou gesmoord hebben wij zouden gesmoord hebben jullie zouden gesmoord hebben zij zouden gesmoord hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
smoor
|