NL: smokken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesmokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik smok jij smokt hij smokt wij smokken jullie smokken zij smokken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesmokt jij hebt gesmokt hij heeft gesmokt wij hebben gesmokt jullie hebben gesmokt zij hebben gesmokt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik smokte jij smokte hij smokte wij smokten jullie smokten zij smokten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesmokt jij had gesmokt hij had gesmokt wij hadden gesmokt jullie hadden gesmokt zij hadden gesmokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal smokken jij zult smokken hij zal smokken wij zullen smokken jullie zullen smokken zij zullen smokken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesmokt hebben jij zult gesmokt hebben hij zal gesmokt hebben wij zullen gesmokt hebben jullie zullen gesmokt hebben zij zullen gesmokt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou smokken jij zou smokken hij zou smokken wij zouden smokken jullie zouden smokken zij zouden smokken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesmokt hebben jij zou gesmokt hebben hij zou gesmokt hebben wij zouden gesmokt hebben jullie zouden gesmokt hebben zij zouden gesmokt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
smok
|