Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

smokkelen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





NL: smokkelen
Synoniemen: bedriegen, spieken, verbergen, sluikhandel, smokkelhand, smokkelarij, sluikhand

DE: schmuggeln
EN: smuggle
ES: contrabandear

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gesmokkeld
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik smokkel
jij smokkelt
hij smokkelt
wij smokkelen
jullie smokkelen
zij smokkelen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gesmokkeld
jij hebt gesmokkeld
hij heeft gesmokkeld
wij hebben gesmokkeld
jullie hebben gesmokkeld
zij hebben gesmokkeld
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik smokkelde
jij smokkelde
hij smokkelde
wij smokkelden
jullie smokkelden
zij smokkelden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gesmokkeld
jij had gesmokkeld
hij had gesmokkeld
wij hadden gesmokkeld
jullie hadden gesmokkeld
zij hadden gesmokkeld
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal smokkelen
jij zult smokkelen
hij zal smokkelen
wij zullen smokkelen
jullie zullen smokkelen
zij zullen smokkelen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gesmokkeld hebben
jij zult gesmokkeld hebben
hij zal gesmokkeld hebben
wij zullen gesmokkeld hebben
jullie zullen gesmokkeld hebben
zij zullen gesmokkeld hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou smokkelen
jij zou smokkelen
hij zou smokkelen
wij zouden smokkelen
jullie zouden smokkelen
zij zouden smokkelen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gesmokkeld hebben
jij zou gesmokkeld hebben
hij zou gesmokkeld hebben
wij zouden gesmokkeld hebben
jullie zouden gesmokkeld hebben
zij zouden gesmokkeld hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
smokkel

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/smokkelen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English