NL: smokkelenSynoniemen: bedriegen, spieken, verbergen, sluikhandel, smokkelhand, smokkelarij, sluikhand
DE: schmuggeln
EN: smuggle
ES: contrabandear
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesmokkeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik smokkel jij smokkelt hij smokkelt wij smokkelen jullie smokkelen zij smokkelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesmokkeld jij hebt gesmokkeld hij heeft gesmokkeld wij hebben gesmokkeld jullie hebben gesmokkeld zij hebben gesmokkeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik smokkelde jij smokkelde hij smokkelde wij smokkelden jullie smokkelden zij smokkelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesmokkeld jij had gesmokkeld hij had gesmokkeld wij hadden gesmokkeld jullie hadden gesmokkeld zij hadden gesmokkeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal smokkelen jij zult smokkelen hij zal smokkelen wij zullen smokkelen jullie zullen smokkelen zij zullen smokkelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesmokkeld hebben jij zult gesmokkeld hebben hij zal gesmokkeld hebben wij zullen gesmokkeld hebben jullie zullen gesmokkeld hebben zij zullen gesmokkeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou smokkelen jij zou smokkelen hij zou smokkelen wij zouden smokkelen jullie zouden smokkelen zij zouden smokkelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesmokkeld hebben jij zou gesmokkeld hebben hij zou gesmokkeld hebben wij zouden gesmokkeld hebben jullie zouden gesmokkeld hebben zij zouden gesmokkeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
smokkel
|