NL: smikkelenSynoniemen: kluiven, smullen, savoureren
DE: smikkelen (smullen): schmausen, genießen, schleckern, schlemmen
EN: smikkelen (smullen): feast, regale, banquet
ES: smikkelen (smullen): comer con gusto, disfrutar, gozar, deleitarse, golosinear
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesmikkeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik smikkel jij smikkelt hij smikkelt wij smikkelen jullie smikkelen zij smikkelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesmikkeld jij hebt gesmikkeld hij heeft gesmikkeld wij hebben gesmikkeld jullie hebben gesmikkeld zij hebben gesmikkeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik smikkelde jij smikkelde hij smikkelde wij smikkelden jullie smikkelden zij smikkelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesmikkeld jij had gesmikkeld hij had gesmikkeld wij hadden gesmikkeld jullie hadden gesmikkeld zij hadden gesmikkeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal smikkelen jij zult smikkelen hij zal smikkelen wij zullen smikkelen jullie zullen smikkelen zij zullen smikkelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesmikkeld hebben jij zult gesmikkeld hebben hij zal gesmikkeld hebben wij zullen gesmikkeld hebben jullie zullen gesmikkeld hebben zij zullen gesmikkeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou smikkelen jij zou smikkelen hij zou smikkelen wij zouden smikkelen jullie zouden smikkelen zij zouden smikkelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesmikkeld hebben jij zou gesmikkeld hebben hij zou gesmikkeld hebben wij zouden gesmikkeld hebben jullie zouden gesmikkeld hebben zij zouden gesmikkeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
smikkel
|