NL: smalenSynoniemen: honen, smaden
ES: smalen (smaden): afrentar, ultrajar, difamar, burlarse de
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesmaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik smaal jij smaalt hij smaalt wij smalen jullie smalen zij smalen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesmaald jij hebt gesmaald hij heeft gesmaald wij hebben gesmaald jullie hebben gesmaald zij hebben gesmaald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik smaalde jij smaalde hij smaalde wij smaalden jullie smaalden zij smaalden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesmaald jij had gesmaald hij had gesmaald wij hadden gesmaald jullie hadden gesmaald zij hadden gesmaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal smalen jij zult smalen hij zal smalen wij zullen smalen jullie zullen smalen zij zullen smalen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesmaald hebben jij zult gesmaald hebben hij zal gesmaald hebben wij zullen gesmaald hebben jullie zullen gesmaald hebben zij zullen gesmaald hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou smalen jij zou smalen hij zou smalen wij zouden smalen jullie zouden smalen zij zouden smalen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesmaald hebben jij zou gesmaald hebben hij zou gesmaald hebben wij zouden gesmaald hebben jullie zouden gesmaald hebben zij zouden gesmaald hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
smaal
|