NL: smachtenSynoniemen: haken, kwijnen, snakken, wegkwijnen, hunkeren, verlangen, zuchten, reikhalzen, zucht, wensen, lust, begeren
DE: schmachten
EN: ache to, long for, yearn, pine, languish
ES: anhelar, desear angustiosamente, querer, languidecer, ansiar
FR: languir, aspirer à, désirer ardemment, souhaiter ardemment, avoir très envie, soupirer après
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesmacht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik smacht jij smacht hij smacht wij smachten jullie smachten zij smachten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesmacht jij hebt gesmacht hij heeft gesmacht wij hebben gesmacht jullie hebben gesmacht zij hebben gesmacht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik smachtte jij smachtte hij smachtte wij smachtten jullie smachtten zij smachtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesmacht jij had gesmacht hij had gesmacht wij hadden gesmacht jullie hadden gesmacht zij hadden gesmacht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal smachten jij zult smachten hij zal smachten wij zullen smachten jullie zullen smachten zij zullen smachten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesmacht hebben jij zult gesmacht hebben hij zal gesmacht hebben wij zullen gesmacht hebben jullie zullen gesmacht hebben zij zullen gesmacht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou smachten jij zou smachten hij zou smachten wij zouden smachten jullie zouden smachten zij zouden smachten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesmacht hebben jij zou gesmacht hebben hij zou gesmacht hebben wij zouden gesmacht hebben jullie zouden gesmacht hebben zij zouden gesmacht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
smacht
|