NL: sluizenSynoniemen: doorsluizen, schutten
DE: das Schleusenwerke
EN: the sluices, the locks
ES: la esclusas
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesluisd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sluis jij sluist hij sluist wij sluisen jullie sluisen zij sluisen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesluisd jij hebt gesluisd hij heeft gesluisd wij hebben gesluisd jullie hebben gesluisd zij hebben gesluisd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sluisde jij sluisde hij sluisde wij sluisden jullie sluisden zij sluisden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesluisd jij had gesluisd hij had gesluisd wij hadden gesluisd jullie hadden gesluisd zij hadden gesluisd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sluisen jij zult sluisen hij zal sluisen wij zullen sluisen jullie zullen sluisen zij zullen sluisen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesluisd hebben jij zult gesluisd hebben hij zal gesluisd hebben wij zullen gesluisd hebben jullie zullen gesluisd hebben zij zullen gesluisd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sluisen jij zou sluisen hij zou sluisen wij zouden sluisen jullie zouden sluisen zij zouden sluisen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesluisd hebben jij zou gesluisd hebben hij zou gesluisd hebben wij zouden gesluisd hebben jullie zouden gesluisd hebben zij zouden gesluisd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sluis
|