NL: slechtenSynoniemen: afbreken, effenen
DE: slechten (kapot maken): kaput machen
EN: slechten (kapot maken): break
FR: slechten (kapot maken): démolir, abîmer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geslecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik slecht jij slecht hij slecht wij slechten jullie slechten zij slechten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geslecht jij hebt geslecht hij heeft geslecht wij hebben geslecht jullie hebben geslecht zij hebben geslecht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik slechtte jij slechtte hij slechtte wij slechtten jullie slechtten zij slechtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geslecht jij had geslecht hij had geslecht wij hadden geslecht jullie hadden geslecht zij hadden geslecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal slechten jij zult slechten hij zal slechten wij zullen slechten jullie zullen slechten zij zullen slechten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geslecht hebben jij zult geslecht hebben hij zal geslecht hebben wij zullen geslecht hebben jullie zullen geslecht hebben zij zullen geslecht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou slechten jij zou slechten hij zou slechten wij zouden slechten jullie zouden slechten zij zouden slechten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geslecht hebben jij zou geslecht hebben hij zou geslecht hebben wij zouden geslecht hebben jullie zouden geslecht hebben zij zouden geslecht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
slecht
|