NL: slagenSynoniemen: gelukken, succes hebben, lukken, mazzelen, , klaarspelen, doorkomen
DE: slagen (succes hebben): Erfolg haben, erfolgreich sein
EN: slagen (succes hebben): be successful
ES: slagen (succes hebben): tener éxito, salir bien
FR: slagen (succes hebben): réussir, parvenir, avoir du succès
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geslaagd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik slaag jij slaagt hij slaagt wij slagen jullie slagen zij slagen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geslaagd jij hebt geslaagd hij heeft geslaagd wij hebben geslaagd jullie hebben geslaagd zij hebben geslaagd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik slaagde jij slaagde hij slaagde wij slaagden jullie slaagden zij slaagden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geslaagd jij had geslaagd hij had geslaagd wij hadden geslaagd jullie hadden geslaagd zij hadden geslaagd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal slagen jij zult slagen hij zal slagen wij zullen slagen jullie zullen slagen zij zullen slagen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geslaagd hebben jij zult geslaagd hebben hij zal geslaagd hebben wij zullen geslaagd hebben jullie zullen geslaagd hebben zij zullen geslaagd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou slagen jij zou slagen hij zou slagen wij zouden slagen jullie zouden slagen zij zouden slagen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geslaagd hebben jij zou geslaagd hebben hij zou geslaagd hebben wij zouden geslaagd hebben jullie zouden geslaagd hebben zij zouden geslaagd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
slaag
|