NL: slachtenSynoniemen: afmaken, wegdoen, afdoen
DE: schlachten
EN: butcher
ES: matar, rematar, sacrificar
FR: abattre, couper la gorge à, tuer, égorger, massacrer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geslacht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik slacht jij slacht hij slacht wij slachten jullie slachten zij slachten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geslacht jij hebt geslacht hij heeft geslacht wij hebben geslacht jullie hebben geslacht zij hebben geslacht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik slachtte jij slachtte hij slachtte wij slachtten jullie slachtten zij slachtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geslacht jij had geslacht hij had geslacht wij hadden geslacht jullie hadden geslacht zij hadden geslacht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal slachten jij zult slachten hij zal slachten wij zullen slachten jullie zullen slachten zij zullen slachten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geslacht hebben jij zult geslacht hebben hij zal geslacht hebben wij zullen geslacht hebben jullie zullen geslacht hebben zij zullen geslacht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou slachten jij zou slachten hij zou slachten wij zouden slachten jullie zouden slachten zij zouden slachten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geslacht hebben jij zou geslacht hebben hij zou geslacht hebben wij zouden geslacht hebben jullie zouden geslacht hebben zij zouden geslacht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
slacht
|