NL: slaanSynoniemen: aanleggen, betreffen, beuken, bevestigen, bonken, klapperen, kleunen, klinken, opslaan, overtreffen, trappen, kloppen, slag, dreun, rammen, hameren, timmeren, meppen, hengsten
DE: schlagen, rammen, hämmern, dreschen, hauen, verkloppen, hart schlagen
EN: hammer, slap, hit, bang, smack
ES: golpear, abofetear
FR: frapper, battre, taper, heurter, cogner, fouetter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geslagen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sla jij slaat hij slaat wij slaan jullie slaan zij slaan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geslagen jij hebt geslagen hij heeft geslagen wij hebben geslagen jullie hebben geslagen zij hebben geslagen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sloeg jij sloeg hij sloeg wij sloegen jullie sloegen zij sloegen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geslagen jij had geslagen hij had geslagen wij hadden geslagen jullie hadden geslagen zij hadden geslagen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal slaan jij zult slaan hij zal slaan wij zullen slaan jullie zullen slaan zij zullen slaan
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geslagen hebben jij zult geslagen hebben hij zal geslagen hebben wij zullen geslagen hebben jullie zullen geslagen hebben zij zullen geslagen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou slaan jij zou slaan hij zou slaan wij zouden slaan jullie zouden slaan zij zouden slaan
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geslagen hebben jij zou geslagen hebben hij zou geslagen hebben wij zouden geslagen hebben jullie zouden geslagen hebben zij zouden geslagen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sla
|