NL: sjezenSynoniemen: falen, rennen, sngaan
DE: sjezen (snel gaan): durchfallen, schnell laufen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesjeesd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sjees jij sjeest hij sjeest wij sjezen jullie sjezen zij sjezen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesjeesd jij hebt gesjeesd hij heeft gesjeesd wij hebben gesjeesd jullie hebben gesjeesd zij hebben gesjeesd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sjeesde jij sjeesde hij sjeesde wij sjeesden jullie sjeesden zij sjeesden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesjeesd jij had gesjeesd hij had gesjeesd wij hadden gesjeesd jullie hadden gesjeesd zij hadden gesjeesd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sjezen jij zult sjezen hij zal sjezen wij zullen sjezen jullie zullen sjezen zij zullen sjezen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesjeesd hebben jij zult gesjeesd hebben hij zal gesjeesd hebben wij zullen gesjeesd hebben jullie zullen gesjeesd hebben zij zullen gesjeesd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sjezen jij zou sjezen hij zou sjezen wij zouden sjezen jullie zouden sjezen zij zouden sjezen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesjeesd hebben jij zou gesjeesd hebben hij zou gesjeesd hebben wij zouden gesjeesd hebben jullie zouden gesjeesd hebben zij zouden gesjeesd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sjees
|