NL: shelteren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geshelterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik shelter jij sheltert hij sheltert wij shelteren jullie shelteren zij shelteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geshelterd jij hebt geshelterd hij heeft geshelterd wij hebben geshelterd jullie hebben geshelterd zij hebben geshelterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik shelterde jij shelterde hij shelterde wij shelterden jullie shelterden zij shelterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geshelterd jij had geshelterd hij had geshelterd wij hadden geshelterd jullie hadden geshelterd zij hadden geshelterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal shelteren jij zult shelteren hij zal shelteren wij zullen shelteren jullie zullen shelteren zij zullen shelteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geshelterd hebben jij zult geshelterd hebben hij zal geshelterd hebben wij zullen geshelterd hebben jullie zullen geshelterd hebben zij zullen geshelterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou shelteren jij zou shelteren hij zou shelteren wij zouden shelteren jullie zouden shelteren zij zouden shelteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geshelterd hebben jij zou geshelterd hebben hij zou geshelterd hebben wij zouden geshelterd hebben jullie zouden geshelterd hebben zij zouden geshelterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
shelter
|