NL: schuilenSynoniemen: liggen, schuilgaan, toevluchten, vluchten, wegkruipen, uitwijken
DE: schuilen (toevluchten): sich verstecken, zuflücten
EN: schuilen (toevluchten): shelter, refuge, hide
ES: schuilen (toevluchten): esconderse, refugiarse, ponerse a cubierto, buscar refugio
FR: schuilen (toevluchten): se réfugier, se cacher, s'abriter, se mettre à l'abri
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geschuild
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schuil jij schuilt hij schuilt wij schuilen jullie schuilen zij schuilen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geschuild jij hebt geschuild hij heeft geschuild wij hebben geschuild jullie hebben geschuild zij hebben geschuild
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schuilde jij schuilde hij schuilde wij schuilden jullie schuilden zij schuilden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geschuild jij had geschuild hij had geschuild wij hadden geschuild jullie hadden geschuild zij hadden geschuild
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal schuilen jij zult schuilen hij zal schuilen wij zullen schuilen jullie zullen schuilen zij zullen schuilen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geschuild hebben jij zult geschuild hebben hij zal geschuild hebben wij zullen geschuild hebben jullie zullen geschuild hebben zij zullen geschuild hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou schuilen jij zou schuilen hij zou schuilen wij zouden schuilen jullie zouden schuilen zij zouden schuilen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geschuild hebben jij zou geschuild hebben hij zou geschuild hebben wij zouden geschuild hebben jullie zouden geschuild hebben zij zouden geschuild hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schuil
|